Jungheinrich PROFISHOP levert uitsluitend aan bedrijven/zelfstandigen in Nederland
Jungheinrich PROFISHOP

Mast

De mast van een hef- of magazijntruck, ook wel hefinrichting genoemd, dient voor het verticaal verplaatsen van de last. In principe bestaat een mast uit een vaststaand, buitenste frame (twee profielen met gelaste dwarsverbindingen) en een vorkenbord. Andere bewegende mastframes, kettingen en hefcilinders completeren de constructie en bepalen de inzetmogelijkheden van de mast.

Masttypen

Bij hydraulische stapelaars wordt de mast bediend – en daarmee de vork geheven – door een pompbeweging te maken met de dissel, of door een voetpedaal te bedienen. De dissel en het voetpedaal worden tevens ingezet om de mast voorzichtig te laten dalen. De hydraulische stapelaar Ameise ® met automatische snelheffing is bijzonder snel bij het heffen van de last: slechts 3 pompbewegingen volstaan om de last vrij van de bodem te heffen en met 30 keer pompen is de maximale hefhoogte al bereikt. Dat scheelt kracht, tijd en kosten. Nog economischer en energiezuiniger zijn de masten op elektrische stapelaars, die via een eenvoudige knopdruk te bedienen zijn.

De enkelvoudige mast (E), zoals op de Jungheinrich ® EMC 110, kent een mastframe waarin de vorkdrager wordt geleid. In het algemeen wordt de vorkdrager met behulp van een centraal geplaatste hefcilinder direct of via kettingoverbrenging geheven.

De tweedelige telescoopmast (ZT, “Simplex”), bijvoorbeeld op de Jungheinrich ® EJC/ZT, heeft een buitenste mastframe dat aan de truck is verbonden en waarin het binnenste, beweegbare mastframe (hefmast) wordt geleid. De vorkdrager loopt wederom in het binnenste frame. Met behulp van hefcilinders en kettingen wordt de drager verplaatst; 200 mm heffing van de vorkdrager leidt tot 100 mm beweging van de hefmast.

De ZT-mast beschikt vaak over een zogeheten vrije heffing. Bij zo’n vrije heffing wordt de vork geheven zonder dat de (bouw)hoogte van de mast toeneemt. Een pallet kan zo ‘bodemvrij’ worden geheven, zonder dat de masthoogte (h1) verandert.

De tweedelige “Duplex” mast (ZZ), onder andere ingezet op de Jungheinrich ® stapelaar EJC/ZZ, beschikt over een extra hefcilinder, die een uitzonderlijk hoge vrije heffing mogelijk maakt. De vrije heffing wordt ook hier via kettingoverbrenging gerealiseerd. Nadat de maximale vrije heffing is bereikt, lopen het vorkenbord en de hefmast uit in de verhouding 1:1.

De driedelige “Triplex” mast (DZ), zoals op de Jungheinrich ® EJC 212/DZ, bestaat uit drie mastframes: het buitenste frame, dat met de truck is verbonden, een middelste en een binnenste frame, beide beweegbaar. Het vorkenbord wordt in het binnenste frame geleid. De DZ-mast is in principe uitgevoerd met vrije heffing.

De drievoudige telescoopmast (DT) heeft, net als de DZ-hefinrichting, drie mastprofielen, maar geen of slechts een geringe vrije heffing. Ook deze mast kan met een lage bouwhoogte toch hoog heffen. De DT-mast wordt niet vaak ingezet.

De vierdelige mast (VZ) telt vier mastframes, zodat met een lage bouwhoogte een hoge heffing mogelijk is. Dit gaat ten koste van het zicht. Ook deze mast beschikt over een vrije heffing. De VZ-mast werkt in principe hetzelfde als een DZ-mast.

Masten en mast-/vorkneiging

De gebruikelijke wijze om te neigen is mastneiging. Sporadisch wordt gebruik gemaakt van vorkenneiging. We onderscheiden

  • voorover neigen en
  • achterover neigen.
Het voorover neigen is nodig om lasten eenvoudiger op te nemen en weg te kunnen zetten. Veiligheidsvoorschriften vereisen het achterover neigen van de last tijdens transport, om te voorkomen dat de last van de vork glijdt. In de drankenindustrie worden bijvoorbeeld vrachtwagens ingezet met een schuine laadvloer. Om deze vrachtwagens te kunnen laden en lossen zijn vorkheftrucks nodig die over een grotere neighoek naar voren beschikken. Bij mastneiging wordt de complete mast hydraulisch geneigd, terwijl bij vorkenneiging de mast loodrecht ‘gefixeerd’ is. De neiging verloopt dan hydraulisch aan het vorkenbord.

Masten en vorkenbord/vork

Aan het vorkenbord worden de lepels, vorkverlengers of andere aanbouwapparatuur bevestigd. De aansluitmaatvoering voor vorkenborden is wereldwijd gestandaardiseerd (ISO 2328).

De vork is het meest toegepaste lastopnamemiddel. Twee lepels worden in de volksmond een vork genoemd. De lepels worden opgehangen aan het vorkenbord. Voor een veilige handling van de last moeten de lepels, overeenkomstig met de breedte van de last, zo ver mogelijk naar buiten worden verschoven. Borging op het vorkenbord voorkomt dat de lepels van het vorkenbord kunnen schuiven.